ZZP-er of werknemer: Deliveroo-perikelen bij de Rijksoverheid?

Als je arbeidsrecht een beetje interessant vindt is je niet ontgaan dat de kwalificatie van de arbeidsovereenkomst de laatste jaren veel aandacht krijgt. De Deliveroo-uitspraak en op handen zijnde wetgeving over de kwalificatie zijn voer voor bloggers en houden de arbeidsrechtelijke gemoederen flink bezig.

Bij de Staat gebeurt het af en toe dat een ‘ingehuurde werker’ een beroep doet op kwalificatie van zijn overeenkomst als arbeidsovereenkomst, en recent deed het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een uitspraak over zo’n werker.

Feiten

Kort de feiten op een rijtje:

  • De werker heeft eerst via verschillende tussenbureaus (zogenoemde ‘mantelpartijen’) gewerkt bij de Staat. Vanaf medio 2022 is de medewerker als ZZP-er via tussenkomst van HeadFirst (een mantelpartij) geplaatst bij de Staat. 
  • Per 1 mei 2023 zegt de Staat de plaatsing van de werker op (de met HeadFirst gesloten overeenkomst voor zijn inhuur wordt opgezegd).
  • De werker is het hiermee niet eens en vindt dat hij een arbeidsovereenkomst heeft, is dat niet met HeadFirst, dan wel met de Staat. 
  • In eerste instantie oordeelde de kantonrechter dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.
  • De werker is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van de kantonrechter. Kort gezegd wil hij dat het Hof alsnog oordeelt dat hij een arbeidsovereenkomst met de Staat of HeadFirst heeft.

Discussie

De discussie spitst zich voor de Staat tijdens de procedure toe op een paar interessante punten:

  • Was er een überhaupt een overeenkomst tussen partijen? De werker meent van wel, maar de Staat geeft aan dat partijen zich niet tot elkaar hebben verbonden. De werker sloot immers alleen een overeenkomst met HeadFirst. Via HeadFirst verrichtte hij vervolgens feitelijk arbeid voor de Staat. De Staat gaf aan dat niet wordt toegekomen aan het kwalificatievraagstuk (is er wel of  geen arbeidsovereenkomst?), simpelweg omdat de werker en de Staat niet met elkaar hebben gecontracteerd. Het Hof volgt de Staat hierin. 
  • De Staat gunde de inhuur van arbeidskrachten via aanbesteding aan een aantal mantelpartijen met wie raamovereenkomsten werden gesloten. Op hun beurt leenden deze mantelpartijen arbeidskrachten in om de feitelijke arbeid bij de Staat te laten verrichten. Dat is niet om werkgeverschap te omzeilen (zoals de werker stelt), maar omdat de Staat gelet op de aanbestedingsregels verplicht is zo te werken. 
  • De werker heeft vóór de beëindiging van de overeenkomst nooit aangegeven dat hij zich beschouwde als werknemer. 
  • Onder bepaalde omstandigheden kan er toch een arbeidsovereenkomst zijn ontstaan, zonder dat partijen rechtstreeks met elkaar hebben gecontracteerd. Uit de onderstaand opgesomde omstandigheden blijkt volgens het hof echter onvoldoende dat in deze zaak van dergelijke omstandigheden sprake is: 

Volgens het Hof:

  • Hij doet dezelfde werkzaamheden als collega’s die in dienst zijn van RIVM. RIVM voert echter aan dat deze werkzaamheden tijdelijk zijn, tot aan de verhuizing naar een ander pand, en dat het werk door een werknemer en twee zzp’ers werd verricht.
  • De werkzaamheden horen bij de normale bedrijfsactiviteiten. RIVM betwist dit: er is geen afdeling die zich met dit werk bezig houdt maar het gebeurt door slechts drie mensen, zodat het in elk geval geen wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering is.
  • Hij heeft ruim twee jaar lang gedurende 36 uur per week gewerkt. Dit is niet betwist door RIVM, maar er is op gewezen dat [appellant] zich mocht laten vervangen. Dat hij dat ook feitelijk heeft gedaan is niet door RIVM gesteld.
  • RIVM bepaalt het werk en de werktijden. Volgens RIVM bestond het werk uit audiovisuele ondersteuning in vergaderruimtes. De aard van dit werk maakte dat het moest worden verricht tijdens kantoortijden en ter plaatse. Als er geen vergaderingen of plaatsgevonden werkzaamheden gepland waren stond het [appellant] vrij om vanuit huis te werken.
  • Hij neemt deel aan interne werkoverleggen, krijgt beoordelingsgesprekken, neemt deel aan personeelsuitjes, heeft een laptop en telefoon van RIVM en een vaste toegangspas en een eigen e-mailadres en e-mailhandtekening zonder ad-interim of zzp-vermelding. Met [appellant] werden volgens RIVM de werkzaamheden periodiek afgestemd, maar er werden geen reguliere functioneringsgesprekken gevoerd zoals bij werknemers. Hij werd ook niet geacht aanwezig te zijn bij interne werkoverleggen. Een keer is [appellant] op eigen initiatief bij een personeelsuitje aanwezig geweest; hiervoor kon hij echter geen tijd schrijven. [appellant] werd niet voor personeelsuitjes uitgenodigd. Een kerstpakket heeft hij niet gehad, wel een presentje bestemd voor alle ingeleende arbeidskrachten. Hij had een toegangspas die bestemd was voor extern ingehuurden (‘E’) in plaats van een werknemerspas (‘P’). Het gebruik maken van een te beschikking gestelde telefoon en laptop komt voort uit veiligheidsoverwegingen en de zware beveiligingseisen die RIVM daaraan stelt.
  • Hij werkte eerder als uitzendkracht bij RIVM en heeft zich op enig moment kandidaat gesteld voor de ondernemingsraad van RIVM.

Conclusie van het Hof

Ondanks dat deze werker vindt dat hij  als echte werknemer beschouwd moet worden, gaat het Hof niet mee in zijn betoog. De conclusie van het Hof:


“Uit al deze omstandigheden, verklaringen en gedragingen in samenhang bezien kan niet worden afgeleid dat werker en werkgever zich jegens elkaar hebben verbonden. Duidelijk is dat er wel intenties waren om samen te contracteren, maar dat is nooit daadwerkelijk gebeurd. Ook staat wel vast dat werkgever een zekere bemoeienis heeft gehad met de manier waarop werker werd ingehuurd (..). Tegelijk staat afdoende vast dat de werkgever de keuze voor het zzp’er-schap steeds aan de werker heeft gelaten en dat de werker de keuze daarvoor bewust heeft gemaakt. In een dergelijke situatie verzet de rechtszekerheid zich tegen een geruisloze vervanging van de bestaande contractuele inleenverhouding een arbeidsovereenkomst.”

Het Hof bekrachtigt de beschikking van de Rechtbank en veroordeelt de werker in de proceskosten van de Staat.

 

Nice to know

Voor de échte enthousiastelingen over dit onderwerp nog het volgende uit de uitspraak:

  • De werker beriep zich primair op het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW: indien iemand tegen beloning van de ander gedurende drie opeenvolgende maanden ten minste 20 uur per maand arbeid verricht, wordt vermoed dat hij deze arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst heeft verricht.
  • De Staat heeft nimmer rechtstreeks een betaling gedaan aan de werker. De beloning ontving de werker immers van de mantelpartij. Aangezien de Staat geen beloning verstrekte, kon de werker zich niet met succes op het rechtsvermoeden beroepen. 
  • Ten aanzien van de verzoeken richting HeadFirst vangt de werker ook bot. Zijn verzoeken werden afgewezen en ook daar volgde een veroordeling in de proceskosten. 

Mocht je vragen hebben over bovenstaande casus? Je vaste jurist of advocaat helpt je graag verder!